Aan de gevel van perceel Breestraat nummer 177 in Leiden is duidelijk te zien dat het hier om twee samengevoegde panden gaat. Waarschijnlijk zijn het 17e-eeuwse huizen die later op de begane grond tot één geheel werden gevormd.

Gevelstenen en hun Betekenis
Op de gevel van het meest rechtse pand zijn tussen de ramen van de eerste verdieping drie gevelstenen te zien. Links bevindt zich een gevelsteen in de vorm van een diamantkop met het onderschrift “WIE”. De middelste steen geeft een gekroonde krab weer en heeft als onderschrift “1632 LEEFT ER“. Rechts is wederom een diamantkop te zien met het onderschrift “ONBENIT”.
Het woord 'onbenit' zou tegenwoordig als 'onbenijd' worden geschreven, wat betekent: bij niemand afgunst opwekken. Dit woord bevat 'nijd', dat hier moet worden opgevat als afgunst of jaloezie. Waarschijnlijk diende de afgebeelde krab als symbool voor deze nijd. Vroeger werden de kreeft en de schorpioen gebruikt om nijd uit te beelden, maar men nam vaak een krab wanneer men eigenlijk een kreeft bedoelde. De krab die hier is afgebeeld, vertoont veel gelijkenis met de zogenaamde...
De Legende van de Spin en de Apotheker
Aan dit huis is een legende verbonden. Een apotheker, die in één van de panden woonde, betrok kruiden en medicijnen uit het Verre Oosten. Op een dag zat er een giftige spin in één van de paketten die hij had ontvangen. Deze spin ontsnapte en verhuisde naar het naastgelegen pand, een herberg. Daar beet de spin een aantal argeloze gasten in hun slaap, waarna zij overleden. Dit verhaal wordt al jaren in Leiden verteld.
De vraag is of de afbeelding van de krab op de gevel de aanleiding is geweest voor dit verhaal, of dat we moeten denken aan de uitdrukking "Nijdig als een spin". Dit komt al voor in het mirakelspel ‘Mariken van Nieumeghen’ (ca. 1490).
'Wie leeft er onbenit'
De uitspraak 'Wie leeft er onbenit' heeft de klank van een gezegde dat mogelijk aan het begin van de 17e eeuw werd gebruikt. Een Latijns spreekwoord luidt: VIRTUTIS COMES INVIDIA, wat betekent 'deugd is de gezel van de nijd'. In 'Alle de wercken van den Heere Jacob Cats', deel I, wordt dit Latijnse spreekwoord genoemd onder een gedicht over de tegenstellingen in de wereld.
De strekking van de zin 'Wie leeft er onbenit', met de bovenstaande regels in acht genomen, is dat degene die onbenijd leeft, niet gelukkig of deugdzaam leeft. Als er geen nijd in iemands leven is, als niemand afgunstig op jouw leven is (onbenit), dan is er ook geen deugd of vreugde in je leven.
Een lezer van dit verhaal maakte de Werkgroep Geveltekens erop attent dat krabben niet vooruit lopen, maar zijwaarts. Iemand die vooruit krabbelt kan afgunst opwekken, maar iemand die geen progressie maakt niet.

Historische Documentatie van de Panden
Het is niet eenvoudig de geschiedenis van de panden te beschrijven. In het bonboek Wolhuys gaat het om de folii 93v. Dit pand is door een latere onderzoeker, gemeentearchivaris Ch.M. Dozy, gekenmerkt als Wijk IV nr. Het eerstgenoemde pand, het meest westelijke (of zo u wilt noordelijke) van de drie, oorspronkelijk op naam van Jacob Rijck(enz.), bogaertman, werd bij akte van 30 juli 1632 door Jacob Pietersz., schrijnwercker, 'aen tween gesepareert' en het noordwestelijke gedeelte verkocht aan Samuel van Roeyen, koussemaecker. Bij scheiding (verleden voor notaris Jacob Boekwijt) dd. 28-4-1692 tussen de kinderen van de enige zoon en dus erfgenaam Ewout Samuelsz. van Royen, is dit restant-pand toebedeeld aan Jacoba van Royen, die trouwde met mr. Het pand op fol. 94 betreft het oostelijke/zuidelijke deel. Ook dit is verkocht aan Samuel van Roeyen, die het op dezelfde dag al doorverkocht aan Claes Reyniersz., koopman van laeckenen, zijn buurman.
Dan volgt fol. 94v, het zuivere hoekpand: de executeurs-testamentair van Geertgen Adriaensdr. verkopen dit pand op 27-2-1631 aan Claes Reyniersz., laeckencoper, voor f 2.200. Is bij Nicolaes Reyniersz. belast met een erkentenis in verband met het hebben van een kelder onder de straat, 16-2-1632, en nogmaals om dezelfde reden 23-3-1634. "Is met het voorgaende tot een huys gemaeckt". Door de erfgenamen, nl. sr. Reynier Reynerts en Aernout Reynertsz. (procuratie Amsterdam 26-4-1651) en Adam de Roy, brouwer, namens zijn vrouw Sara Reynarts, en de minderjarige Hendrick Reynerts, alle vier kinderen van Nicolaes Reyniers, gewonnen bij Sibille Bouwens, is dit pand publiek verkocht aan Nicolaes van der Aeck, koorn- en wijnkoper, voor f 1600 cash plus f 7950 op hypotheek, 6-5-1651. Als belending wordt vermeld de minderjarige zoon van Samuel van Royen (Waarboek CCCC fol. ...).
De Apotheek Sanders en de Kelder
De datering van een anoniem schilderij, in de catalogus van de Lakenhal, lijkt iets te vroeg te zijn aangezien boven de deur van de apotheek de naam Sanders te lezen is. Namelijk, in 1842 kocht de vader van apotheker Nicolaas Jacobus Sanders, de panden die tegenwoordig samen Breestraat 177 vormen, voor zijn zoon. De apotheek op de hoek, sinds 1810 van apotheker Cornelis Jacobus Van Gent, werd door zijn weduwe verkocht aan Sanders' vader. Hij kocht de apotheek tezamen met het gehele pand op de hoek van de Breestraat en Steenschuur. Of de panden toen al verheeld waren en of het aangrenzende pand ook in het bezit was van apotheker Van Gent is nog niet duidelijk.
De vader, ook N.J. Sanders geheten, was passementswerker met een eigen zaak, waarschijnlijk ook aan de Breestraat. In 1843 huwde de jonge Sanders Albertine M.A. Soeters en de ouders van Nicolaas trokken bij hen in. In totaal kregen Nicolaas en Albertine elf kinderen, waarvan er zes op jonge leeftijd overleden.
Onder de panden lag een grote kelder die in verbinding stond met een kelder die een uitgang had op het water. Deze kelder was eigendom van de stad en Sanders huurde hem voor vijftig cent per jaar. Hier begon hij te experimenteren met medicinale zeepziederij. De productie van zeep gaat gepaard met zeer onfrisse geuren en uiteindelijk werd Sanders genoodzaakt om naar een andere productieruimte uit te zien. In 1859 verkocht hij zijn apotheek met het gehele pand aan Cornelis Cuijpers, afkomstig uit Nijmegen.
De Gevelrestauratie van het Restaurant Nieuw China
Na het weghalen van reclameborden op de gevel van restaurant Nieuw China op de hoek van de Breestraat en Steenschuur, kwam er ‘ineens’ een deftig aangezicht tevoorschijn, uitgevoerd in gebronsd koper, marmer en met geëtste bovenramen. Er is zelfs de ‘handtekening’ van de architect ontdekt, aangebracht in het marmer: ‘A. van der Heyden’, architect, 1934’. Uit archiefbronnen blijkt dat Van der Heyden de gevel ook in datzelfde jaar ontworpen heeft.
Dit deed hij in opdracht van mevrouw J.S. Abrahamsen, die op die plek een chique kledingwinkel had. Het gemeentearchief bewaart bouwtekeningen en het ontwerp dat Van der Heyden maakte voor zijn naamsvermelding. De vondst is een kolfje naar de hand van de gemeente. Leiden wil namelijk dat de gevels in de binnenstad historie uitademen. Op die manier wordt het centrum aantrekkelijker om te winkelen en te bezoeken, is het achterliggende idee. Door de toepassing van de subsidieregeling Historisch Stadsbeeld en het modellenboek Gevelreclame wil de gemeente winkeliers en eigenaren motiveren om hun puien in oude luister te herstellen. De eigenaar van het pand en restaurant Nieuw China realiseert met steun van de gemeente het plan om zijn gevel weer in de oorspronkelijke staat te brengen. Daartoe zijn inmiddels wel zijn oude platen met gevelreclame weggehaald. De gevelaanpak geldt voor het gebied Haarlemmerstraat, Breestraat en Donkersteeg.

Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden.
Krabben in de Noordzee
In de Noordzee leven tientallen soorten krabben, kreeften en heremietkreeften. Krabben zijn krachtig gebouwd en hebben een zwaar skelet. Het schild is afgeplat en het achterlijf is onder het lichaam geklapt. Als je een krab omdraait, is dat goed te zien. Bij alle soorten krabben is aan het vooruitgeklapte achterlijf te zien of het een mannetje of een vrouwtje is. Als het breed en rond is, is de krab een vrouwtje; het lijkt een beetje op een bijenkorf waar ze de eieren onder houdt. Een krab met een smal, spits, driehoekig achterlijf, in de vorm van een vuurtoren, is een mannetje. Die heeft daar twee piemels onder zitten, eentje links en eentje rechts.
De strandkrab is verreweg de algemeenste krabbensoort, zowel in de Waddenzee als aan het Noordzeestrand. In de winter trekken ze zich terug naar dieper water. In het voorjaar trekken ze massaal naar de wadplaten en dijkvoeten. De mannetjes gaan naar de meest ondiepe delen, de vrouwtjes blijven meestal in de geultjes rondhangen. Het zijn de afvalopruimers van het wad; ze voeden zich met dode bodemdieren, of levende als ze die te pakken kunnen krijgen. Strandkrabben worden enkele jaren oud. In hun eerste jaar vervellen ze regelmatig om te groeien. In de jaren daarna gebeurt dat minder vaak.
De hoekige krab (Goneplax rhomboides) is een krab met voor zijn lijf enorm lange en grote scharen. Hij werd in 2003 voor het eerst opgevist in het Nederlandse deel van de Noordzee, zo’n 100 kilometer ten noorden van Vlieland, het Friese front. Op het Texelse strand zie je vaak breedpootkrabben, strandkrabben, gewone en grijze zwemkrabben, heremietkreeften en kleine heremietkreeften (boksertjes). Nu en dan kom je in een poel van een strekdam een Noordzeekrab tegen. De blaasjeskrab is een exotisch krabje dat aan de waddenkant op dijkvoeten leeft, samen met de strandkrabben.

Met krabben is er altijd iets te beleven. Het zijn de rovers van de zee. De gewone strandkrab aan de maaltijd met een vissenstaart. De ene krab is de andere niet; je kunt beter van de soortgroep krabben spreken. Het is een van de meest voorkomende dieren onder water. Krabben behoren tot de orde Decapoda, de tienpotigen. Daar vallen ook de kreeften, heremietkreeften en garnalen onder. Meestal zie je ook tien poten, maar bij sommige krabben zie je er maar acht.
Tijdens elke duik kun je krabben zien. Afhankelijk van de soort zijn ze erg schuw tot totaal niet schuw. Ze komen voor op elke diepte en in elke habitat. De grootte varieert van ca. één cm. klein, het erwtenkrabbetje, tot maximaal 30 cm. Het glad porseleinkrabbetje is een voorbeeld van de groep Anomura waarbij je maar acht poten ziet.
Krabben zie je het hele jaar rond, maar er is een duidelijke piek in het najaar. In februari, als het water op zijn koudst is, is de kans het kleinst. Afhankelijk van de soort zijn krabben goed tot zeer moeilijk te benaderen. Noordzeekrabben zijn de grootste krabbensoort van Nederland, tot 30 cm. Een groothoeklens is hier, zeker voor de grotere exemplaren en bij slecht zicht, wel handig. Ook bijvoorbeeld hooiwagenkrabben werken goed mee. Veel andere soorten, zoals de veel voorkomende gewone strandkrab en de fluwelen zwemkrab zijn mobiel, maar goed te benaderen. Alleen als ze buit hebben, worden ze schuw; er zijn altijd kapers op de kust. En dan gaan ze rennen.
Fluwelen zwemkrabbetjes zijn parend. Sowieso is het handig om, voordat je de dieren benadert, eerst alles goed te hebben ingesteld. Zeker bij de schuwe soorten krijg je vaak maar één kans. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Blaasjeskrab en het Ruig krabbetje. De neiging om weg te kruipen breekt ze heel soms op. De reactie is namelijk van je weg te schieten, tussen het basalt of de schelpen. Met wat geluk kun je soms, door de krab van de juiste kant te benaderen, deze zichzelf ‘klem laten zetten’ in een spleet of hoek van een paar stenen of basalt.
Er zijn een paar soorten die je vooral vindt door actief op zoek te gaan. Het harig porseleinkrabbetje is daarvan een veel voorkomende. Die vind je eigenlijk alleen door losse oesterschelpen of stenen om te draaien. Dan moet je snel zijn; ze rennen hier vaak onmiddellijk omheen, naar de andere kant. Het helpt daarbij als je je camera met één hand kunt bedienen. Maar je krijgt heel veel kansen. Krabben zijn niet bepaald kwetsbaar; hun pantser beschermt ze. Toch worden ze ook wel gegeten, onder andere door zeekatten, ook wel sepia’s genoemd.
Krabben doen aan vrouwensjouwen! Vrouwtjeskrabben zijn namelijk alleen ‘paarbaar’ vlak na het verschalen, voordat de schaal is uitgehard. Dat moment wil een mannetje niet missen. Hij pakt een vrouwtje dat hij tegenkomt en dat binnenkort gaat verschalen, gewoon op en sleept haar overal mee naartoe. Maar als hij onderweg een groter vrouwtje vindt, laat hij haar schieten en gaat er met zijn nieuwe scharrel vandoor. Krabben kunnen ook last hebben van het Krabbenzakje. Deze parasiet wordt vooral gevonden op het achterlijf van de gewone strandkrab en zwemkrabben.