Agrarisch ondernemers die hun landbouwgrond willen bemesten, moeten elk jaar zelf berekenen of ze binnen de gebruiksnormen zijn gebleven. Om gewassen te voeden, gebruik je mest. Omdat te veel mest - door uitspoeling van stikstof en fosfaat - schadelijk kan zijn voor het milieu, is het mestgebruik aan regels gebonden. Daarom moet je als agrarisch ondernemer aantonen dat je niet te veel mest gebruikt. Je moet zelf berekenen wat je gebruiksruimte is en of je binnen de norm bent gebleven.
Wat zijn gebruiksnormen en gebruiksruimte
Hoeveel mest je per jaar mag gebruiken, wordt bepaald door gebruiksnormen. Voor stikstof uit dierlijke mest geldt bijvoorbeeld een gebruiksnorm van maximaal 170 kilogram per hectare landbouwgrond. Als je een derogatievergunning hebt, mag je meer stikstof gebruiken: Voor landbouwgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg is de norm dan 230 kilogram per hectare. De gebruiksnorm voor fosfaat uit alle mestsoorten verschilt voor grasland en bouwland. In 2019 was de fosfaatgebruiksnorm 80 kilogram fosfaat per hectare grasland en 50 kilogram voor bouwland.
Hoeveel je mag gebruiken, hangt ook af van de fosfaattoestand van de grond. In de brochure wordt uitgelegd hoe je de gebruiksruimte kunt berekenen voor de drie gebruiksnormen: voor dierlijke mest, voor stikstof en voor fosfaat. Als je die berekening maakt, weet je hoeveel ruimte je hebt voor je eigen dierlijke mest, en of er aanvullend nog ruimte is voor andere mestsoorten. Om goed in beeld te krijgen wat er mogelijk is, kun je het best een bemestingsplan maken. In dat plan beschrijf je hoeveel je van de verschillende soorten mest gaat uitrijden. Als je gebruik maakt van derogatie is zo'n bemestingsplan verplicht.
Welke gegevens heb je nodig
Je gebruikt daarvoor verschillende gegevens: Hoeveel mest had je aan het begin van het jaar? Hoeveel mest heb je in de loop van het jaar aangevoerd. Hoeveel mest hebben de dieren op het bedrijf geproduceerd? Hoeveel mest is er afgevoerd? Hoeveel mest was er aan het einde van het jaar. En hoeveel stikstof en fosfaat zat er in die mest?
In de brochure worden de berekening stapsgewijs toegelicht aan de hand van een uitgewerkte berekening van een voorbeeldbedrijf: het bedrijf van Abel. De RVO benadrukt dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van de berekeningen. De RVO controleert steekproefsgewijs gegevens die opgestuurd worden.
Bemestingsplan en administratie
Je maakt elk jaar voor het begin van het groeiseizoen een bemestingsplan. Hierin beschrijf je welke gewassen je gaat telen en hoeveel en welke mest je gaat gebruiken. Tijdens het jaar controleert u hoeveel mest u werkelijk gebruikt. En of u daarmee binnen uw gebruiksruimte blijft. Dit houdt u bij in uw administratie. Gebruikt u meer of minder dan u gepland had? Dan past u het bemestingsplan aan.
Kunt u hulp gebruiken bij het berekenen van uw gebruiksnormen? Wij werken nog aan een aantal voorbeelden, waarin u ziet hoe een melkveehouder, een akkerbouwer en een varkenshouder hun gebruiksnormen berekenen.
Specifieke normen en velden
Op uw landbouwgrond mag u per jaar 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare uitrijden. U rekent met het aantal hectares dat u op 15 mei in gebruik heeft. Met derogatie mag u onder voorwaarden meer dierlijke mest gebruiken. In 2025 is de derogatie norm in NV-gebieden 190 kg N/ha. Buiten NV-gebieden is dit 200 kg N/ha. Er zijn ook gebieden waar u de verhoogde norm niet mag gebruiken. De gebruiksnorm stikstof alle mest noemen we ook wel de stikstofgebruiksnorm. Uw grondsoort en het gewas bepalen de hoogte ervan. U krijgt een gebruiksnorm voor uw hoofdteelt en soms ook voor een volgteelt.
Er zijn nog meer regels die invloed hebben op uw stikstofgebruiksnorm. Soms gaat uw gebruiksnorm omlaag, soms mag u meer mest gebruiken. Zo is grasland vaak reden tot minder stikstof. Als u percelen in NV-gebied hebt, is de stikstofgebruiksnorm 20% lager dan in de rest van Nederland. Ligt uw perceel op kleigrond en waren de opbrengsten hoog in de afgelopen drie jaar? Dan kan onder voorwaarden meer stikstof worden gebruikt. Voor de stikstof uit dierlijke mest telt alle stikstof in die mest, maar het gewas kan niet alle stikstof opnemen. Daarom rekent u bij het berekenen van uw totale stikstofgebruiksnorm, ook een percentage van de stikstof mee, de werkingscoëfficiënt.
Bewerkt u mest door deze te scheiden? Dan ontstaat een dunne en een dikke fractie. U rekent met de werkingscoëfficiënt voor dunne fractie uit de tabel. Uw gebruiksnormen voor al uw hectares samen vormen uw gebruiksruimte. Is uw gebruiksruimte voor stikstof uit alle mest hoger dan voor stikstof uit dierlijke mest? Dan mag u uw hele gebruiksnorm voor dierlijke mest gebruiken. Voor de gebruiksnorm stikstof uit alle mest kunt u dit dan nog aanvullen met stikstof uit overige mest. Soms is de gebruiksruimte voor stikstof uit alle mest lager dan die voor stikstof uit dierlijke mest, bijvoorbeeld bij veel gewassen met lage stikstofnorm.
Hoeveel fosfaat u mag gebruiken, hangt af van grondtype en teelt. Grasland heeft een andere norm dan bouwland. Een lagere fosfaattoestand of een hoge fosfaattoestand kan de norm beïnvloeden. Sommige soorten mest en compost tellen minder zwaar voor de fosfaatgebruiksnorm. Als u in een jaar te veel dierlijke mest hebt gebruikt of een derogatie hebt, moet u dit toelichten aan RVO en de administratie goed bijhouden. Bij controles kan NVWA dit controleren.
Bijzondere gevallen en regelgeving voor particulieren
Jaarlijks mag een bedrijf maximaal 250 kg fosfaat uit dierlijke mest forfaitair afvoeren naar particulieren, en 500 kg dierlijke stikstof kan daarmee samen gaan. Het is mogelijk om hiervan gebruik te maken, maar de regels gelden ook voor particulieren die geen landbouwbedrijf zijn. Een particulier mag maximaal 80 kg fosfaat en 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare gras- of bouwland aanwenden. Voor tuinen gelden afwijkende normen (bijvoorbeeld 20 kg fosfaat per hectare, geen norm voor stikstof).
Voor forfaitaire afvoer naar een particulier moet de opmerkingscode “31” op het vervoersbewijs staan. Vervoersbewijzen moeten digitaal naar mijn.rvo.nl worden ingediend en de particulier moet het vervoersbewijs ook ondertekenen. Mogelijk is 2021 het laatste jaar dat forfaitair mest afgezet kan worden; met de invoering van digitale real-time vervoersbewijzen is dit niet meer toegestaan.
Regels voor milieu en waterkwaliteit
In mest zitten stikstof en fosfaat die planten helpen groeien. Te veel mest kan echter de natuur beschadigen. Daarom zijn er regels in de Europese Nitraatrichtlijn en Kaderrichtlijn Water die ervoor zorgen dat minder stikstof en fosfaat in het water en milieu terechtkomen. Boeren moeten minder mest gebruiken, niet het hele jaar door mest gebruiken en vanggewassen zaaien. De exacte regels verschillen per soort landbouw en gebied, en staan vaak vermeld in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn.
In gebieden met kwetsbare waterkwaliteit gelden strengere regels, zoals bufferstroken langs waterlopen en controles door RIVM en WUR. Tot en met 2025 konden veel graslandboeren een derogatie aanvragen; per 1 januari 2026 geldt geen derogatie meer in Nederland, en moet elke boer zich aan het maximum van 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare houden. De overheid ondersteunt boeren bij aanpassingen en bij het exporteren van mest naar het buitenland.
Productie van mest en uitvoer van mestliberaties
Om te voorkomen overproductie moet in Nederland het fosfaat- en productierechtenstelsel gevolgd worden. Boeren leggen hun mestgebruik vast in een bemestingsplan en administratie. De mest van uw dieren bevat stikstof en fosfaat, die meetellen bij uw gebruiksnorm. De berekening van stikstof- en fosfaatproductie gebeurt met tabellen die per diersoort verschillen. Voor melkvee geldt bijvoorbeeld Tabel 6 met stikstof en fosfaat per melkkoe; overige diersoorten gebruik je Tabel 4 voor diergebonden normen. Voor staldieren gebruik je de stalbalans en mogelijk stikstofcorrectie bij gasverlies in de stal.
De totale mestproductie van de dieren op uw bedrijf bereken je door de totalen van melkkoeien, overige graasdieren en staldieren bij elkaar op te tellen. Beginvoorraad op 1 januari en eindvoorraad op 31 december bepalen de jaardata. Voor veevoer kun je gegevens van verpakking of pakbon gebruiken; bij ruwvoer gebruik je Tabel 8 met stikstof- en fosfaatforfaits. De berekening per diercategorie vermenigvuldig je met aantallen dieren of kilogrammen levende massa, en tel je op voor het jaar.

Praktische samenvatting
- Stel jaarlijks een bemestingsplan op met gewassen, te gebruiken mestsoorten en hoeveelheden.
- Bereken de gebruiksruimte voor stikstof uit dierlijke mest, stikstof uit alle mest en fosfaat per perceel en per hectare.
- Houd de administratie bij: begin- en eindvoorraad, aanvoer, dierlijke productie en afvoer van mest, en stikstof/fosfaat in de mest.
- Pas het bemestingsplan aan als het werkelijke verbruik afwijkt van de planning.
- Let op derogatievoorwaarden en NV-gebieden die strengere normen kunnen opleggen.